Feed on
Berichten
Reacties

Groencontact, het tijdschrift van de Vlaamse Vereniging voor Openbaar Groen, doet in zijn editoriaal het verhaal van tegenstrijdige effecten van de Solar Shade Control Act. Deze wet van de staat Californië beschermt investeringen in PV-panelen: bomen die het invallen van het zonlicht verhinderen dienen gekapt of ingekort te worden. Eigenaars van zulke bomen kunnen tot 1.000 USD boete per dag krijgen.

De wet, die meer dan dertig jaar onopgemerkt bestond, kreeg enorme aandacht na de klacht van Mark Vargas die de tien “Redwoods” van de familie Bissett-Treanor wou laten verwijderen. Vargas betrok het huis sinds 1993. De bomen werden aangeplant midden de jaren ‘90. De zonnepanelen, waaruit Vargas 100% van zijn dagelijkse elektriciteitsproductie haalt, plaatste hij in 2001. Bisset-Treanor rijden in een Prius, Vargas in een elektrische auto…

Vargas kreeg grotendeels gelijk van de rechter: Bisset-Treanor moeten ervoor zorgen dat niet meer dan 10% van de zonnepanelen in de schaduw komen te liggen.

Wedden dat we in België binnenkort ook burenruzies gaan krijgen over bomen die zon of wind “afpakken”…

Tijdens de Lente van het Leefmilieu bespraken de deelnemers ook maatregelen rond derdepartijfinanciering en leningen voor investerinen in hernieuwbare energiebronnen en rationeel energieverbruik.

Versterking en optimalisering van de werking van Fedesco.: in de schoot van de federale regering zou er een principeakkoord bestaan over het belang van een drastische reductie van het energieverbruik in openbare gebouwen (22% tegen 2013). Daarnaast zal men de mogelijkheid om FEDESCO een beheerscontract te verschaffen analyseren.

Een federaal ‘Kenniscentrum’ oprichten voor derdepartijfinanciering.: De klimaatminister zal erop toezien dat FEDESCO zijn expertise deelt met de federale entiteiten en de lokale besturen.

Versterking en optimalisering van de werking van het FRGE. Principeakkoord van de federale regering.

Samenwerkingsakkoord met de banksector om leningen tegen een lage rentevoet te verstrekken voor energiebesparende werken.

Informatiecampagnes over het derdepartijfinancieringsmechanisme organiseren voor bewoners, overheden en privébedrijven

Huurder-eigenaar problematiek aanpakken: Op dit ogenblik hebben de huurders weinig stimulansen om werkzaamheden te verrichten voor een rationeler energiegebruik omdat ze er niet altijd zeker van zijn voldoende lang in het pand te kunnen wonen om hun investering terug te winnen. De eigenaars zullen dergelijke werkzaamheden ook niet uitvoeren aangezien de kosten worden betaald door de huurders.

Tijdens de vergadering van de commissie ruimtelijke ordening van het Vlaams Parlement van 22 mei 2008 kwam de problematiek van de de inplanting van particuliere windmolens en het standpunt van de administratie ruimtelijke ordening hierover uitgebreid ter sprake.

Minister Van Mechelen herhaalde dat het vergunnen van dergelijke windmolens een taak is van de gemeentebesturen, al dan niet na eerst advies te hebben ingewonnen van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar. De minister vindt wel dat [men] een “ongecontroleerde groei van kleine windmolentjes, windrotors, windvanen enzovoort, bij woningen, winkels, bedrijven enzovoort best zoveel mogelijk vermijd[t]. “Zo niet, komen we opnieuw terecht in de situatie van het Vlaamse antennelandschap.”

De minister verwees ook naar de pioniersrol van de provincie Oost-Vlaanderen die in een ontwerp van beleidsdocument al een oefening gemaakt heeft rond de inplanting van kleinschalige windturbines:

In het ontwerp van beleidsdocument bakent het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen vooreerst het begrip ‘kleinschalige windmolen’ af, waarbij men let op de diversiteit in types en plaatsingsmogelijkheden. (…) Wat de schaal van de constructies betreft, stelt het provinciebestuur dat onder de ‘kleinschalige molens’ die windturbines vallen die nog op schaal zijn van de desbetreffende omgeving. Volgens de provincie is een goed referentieniveau de hoogte van gebouwen maar ook bomenrijen in de omgeving. Vanuit die afweging legt ze voor windmolens een hoogte vast van 10 meter voor de masthoogte tot 15 meter voor de wiekhoogte. De specifieke aard van de omgeving heeft een bepalende invloed op het al dan niet hinderlijk zijn van kleinschalige windmolens, wat lokaal moet worden afgewogen.

Vanuit dat onderscheid in omgevingen formuleert het provinciebestuur drie hoofdtypen van omgevingen: de woonkernen, de bedrijventerreinen en andere hoogdynamische locaties, en tot slot het buitengebied. Daarnaast stelt ze twee heel verschillende molentypes voorop. Enerzijds zijn er de wiektypes (…). Anderzijds zijn er alle andere types die veelal op, aan of nabij gebouwen worden gemonteerd. Tegelijk maakt ze een onderscheid tussen de vraag of de constructies op een gebouw of vrijstaand worden opgericht. Op die manier komt de provincie Oost-Vlaanderen tot een matrixmodel waarin aangegeven wordt waar welk type wel of niet toelaatbaar kan worden geacht. (…)

De Kamer keurde gisteren de wet ter opheffing van de federale retributie van 0,1 EUR op de emissierechten goed.

Artikelen 361 tot 363 van de programmawet van 27 december 2006 hadden een jaarlijkse geïndexeerde retributie van 0,1 euro per gratis toegewezen emissierecht ingevoerd op de houders van een exploitanttegoedrekening in het nationaal register voor broeikasgassen. Deze retributie was een ontvangst voor het begrotingsfonds bestemd voor de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen. Zowel het Vlaamse als het Waalse Gewest hadden tegen deze artikelen een vernietigingsberoep ingesteld bij het Grondwettelijk Hof.

O.a. in het kader van het uitwerken van een oplossing voor Arcelor Mittal in Luik, besliste het Overlegcomité op 28 februari 2008 deze federale retributie alsnog op te heffen. Magnette had er echter mee gedreigd om het wetsontwerp niet in te dienen zolang de gewesten geen afstand van geding hadden gedaan. De gewesten wouden geen afstand van geding doen zolang de wet niet goedgekeurd was. Blijkbaar heeft het Vlaams Gewest zich ertoe verbonden zijn beroep in te trekken; het Waalse Gewest heeft zich daartoe (nog) niet heeft verbonden.

Ondanks het feit dat de federale ministerraad al op 15 februari instemde met de opheffing van de federale retributie, diende Magnette het wetsontwerp pas op 30 mei bij de Kamer in.

Tijdens de bespreking in de plenaire zitting van 3 juli 2008 stelde volksvertegenwoordiger Tinne Van der Straeten de volgende vragen aan Magnette:

Klopt het dat ondertussen de bedrijven ook voor het jaar 2008 geld hebben gestort? Klopt het dat zij die heffing hebben betaald voor wij ze hier vandaag afschaffen, of voor de wet uitwerking heeft? Klopt het dat het geld dat is gestort door de bedrijven, nu ergens op een rekening staat? Wat gaat met dat geld gebeuren? Mag dat worden gebruikt of mag dat niet worden gebruikt? Moet het worden teruggegeven aan de bedrijven? Klopt de informatie dat er nu ergens een bedrag van 6 miljoen euro, of misschien minder, staat te slapen, dat nog dit jaar is gestort door de bedrijven voor een heffing die wij straks waarschijnlijk zullen afschaffen?

Magnette weigerde te antwoorden.

In antwoord op een parlementaire vraag van de PS stelde staatssecretaris Cleyrfait gisteren in de Kamer dat er in de schoot van de Lente van het Leefmilieu geen akkoord bereikt was rond de herziening van het systeem van bedrijfswagens (”puisque cette matière est liée à la rémunération des travailleurs et qu’elle doit faire l’objet d’une concertation sociale entre patronat et syndicats”) en rond de derdepartijfinanciering (”qui soulève beaucoup plus de problèmes pratiques qu’on le pense”).

In de Maatregelengroep 1 rond Klimaat en Energie zijn een aantal maatregelen overeengekomen om de ontwikkeling van offshore windmolenparken te stimuleren.

Maatregel 1: Aanpassing van het reglementaire kader

De werkgroep en de stakeholders wensen een stabiel reglementair kader. Eventuele latere wijzigingen mogen op de afgeleverde domeinconcessies, machtigingen en vergunningen geen invloed hebben. De federale regering verbindt er zich toe haar offshorewindbeleid te handhaven en de doeltreffendheid van het reglementaire kader te verbeteren waarbij de huidige steun gegarandeerd blijft.

Maatregel 2: Globale evaluatie van de offshorewindmolenparken ter plaatse en kostenbatenanalyse van de duurzame energiebronnen

Wat de offshorewindmolenparken betreft, herbevestigt de federale regering haar steun voor het implementeren van projecten tot 2000 MW waarbij geheel rekening wordt gehouden met de impact voor de consument. Het ministerie van Leefmilieu en Energie zal een studie bestellen voordat wordt overgegaan tot de ontwikkeling van offshore windenergie voor vermogens boven 2000 MW. Deze studie zal worden uitgevoerd in het kader van de toekomstige doelstellingen tegen 2020.

Maatregel 3: De nodige investeringen doorvoeren om de 900 MW offshore te kunnen overtreffen.

Op basis van een voorstudie die ELIA heeft uitgevoerd, zouden de eerste drie parken (C-Power, Eldepasco en Belwind) op het transmissienet kunnen worden aangesloten. Voor bijkomende projecten zijn grotere aanpassingen van het transmissienet noodzakelijk door het ontwikkelen van het 380 kV-net vanaf Eeklo naar de kust. Daarnaast lijkt het relevant om voor de bijkomende projecten een gelijkstroomverbinding te creëren. Elia is hiertoe bereid op voorwaarde dat het bedrijf de garantie krijgt dat de verschillende projecten ook daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd. In de werkgroep benadrukten sommigen dat nieuwe productie-eenheden aan de kust zouden kunnen gebouwd worden waardoor de kosten voor de uitbreiding van het net bijkomend kunnen gedekt worden en er ook een beter evenwicht (balancing) van de offshoreproductie kan komen.

In het kader van de goedkeuring van het Elia-investeringsplan zal de minister van Energie erop toezien dat de investeringen die nodig zijn voor de ontwikkeling van offshore-windmolenparken worden gepland. Hij zal er ook op toezien dat deze investeringen geen nadelige gevolgen zullen hebben voor de investeringen die nuttig zijn voor de ontwikkeling van de gedecentraliseerde productie.

Maatregel 4: De andere aanvullende technologieën bestuderen inzake offshore
(…)

Maatregel 5: Implicatie en follow-up van de internationale ontwikkelingen (bijv. TEN-E, Supergrid)

De betrokkenheid bij internationale projecten om offshorewindmolenparken te ontwikkelen, maar vooral de koppeling en de ontwikkeling van het netwerk is een prioriteit voor de federale regering. De federale minister van Energie de instanties die betrokken zijn bij de Europese projecten steunen. De administratie zal instaan voor het opvolgen van de projecten die door de buurlanden worden uitgevoerd. De minister zal nagaan of het nuttig is om het federale, wetenschappelijke beleid hierop te laten aansluiten.

Maatregel 6: Herziening van de voorwaarden en de procedures voor het toekennen van domeinconcessies en vergunningen

Een werkgroep die bestaat uit projectontwikkelaars, de administratie en de CREG zal worden opgericht om de federale procedures te vereenvoudigen en te rationaliseren.

Maatregel 7: Organisatie van een workshop over de problematiek van de burgerluchtvaart, de militaire beperkingen over de ontwikkeling van windenergie

Op initiatief van de minister van Leefmilieu, Klimaat en Energie zal een technische bespreking worden opgestart tussen de minister van Defensie, de gewesten en de stuwende krachten achter de windmolenparken.

Maatregel 8: Organiseren door het DG Energie van de FOD Economie van een conferentie over offshore-windenergie in België

De federale minister van Leefmilieu en Energie zal een conferentie organiseren over offshorewindmolenparken in samenspraak met de stuwende krachten achter de windmolenparken en de netwerkbeheerders.

De afspraken in het kader van de Lente van het Leefmilieu zijn bekendgemaakt op de website. Op deze blog bespreek ik de komende tijd de verschillende voorgestelde maatregelen vanuit juridisch perspectief.

In de Commissie Bedrijfsleven van de Kamer van Volksvertegenwoordigers vond er vorige week de volgende (overbodige) woordenwisseling plaats tussen volksvertegenwoordiger Van Noppen en minister Magnette:

04.02 Minister Paul Magnette: Mijnheer Van Noppen, de regering heeft tegen eind juni 2008 gepland een groep van nationale en internationale deskundigen, onder andere van het IPCC, samen te stellen, die belast zal zijn met het bestuderen van wat de ideale energiemix moet zijn voor België op middellange en lange termijn. Die groep deskundigen zal een verslag voorleggen teneinde de nodige beslissingen voor het einde van 2009 te nemen.

De conclusies van de groep zullen inlichtingen bieden die toelaten uw vraag te beantwoorden, maar er is geen discussie daarover in het raam van de Lente van het Leefmilieu.

04.03 Flor Van Noppen (CD&V - N-VA): Mijnheer de minister, dit begrijp ik echt niet goed. U zegt altijd dat wij zuinig moeten zijn met overheidsgeld. Wij hebben het rapport van de Energie 2030, waarin duidelijk staat dat het niet kan zonder kernenergie. Er zijn tal van andere rapporten waaruit dat ook blijkt. En toch blijft u rond te pot draaien en zegt u: wij gaan een nieuwe studie bestellen en tegen 2009 zullen wij de conclusies bekijken. Als blijkt dat die conclusies negatief zijn en dat het onmogelijk is zonder kernenergie, gaat u dan opnieuw een studie bestellen, tot u een studie hebt die zegt: nu kunnen wij zonder kernenergie verder?

04.04 Minister Paul Magnette: Uw fractie heeft het regeerakkoord goedgekeurd.

04.05 Flor Van Noppen (CD&V - N-VA): Daar zit natuurlijk het addertje.

Mestverwerking

In antwoord op een schriftelijke vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron heeft minister van leefmilieu en energie Hilde Crevits de huidige stand van zaken gegeven over de (problematiek van de) inplanting van mestverwerkingsinstallaties.

De minister antwoordde dat het Vlaams Coördinatiecentrum Mestverwerking al een eerste evaluatie van de omzendbrief RO/2006/01 “afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting” uitvoerde (VCM-nota ‘Evaluatie omzendbrief RO/2006/01’ (april 2007).

Het VCM heeft op vraag van de minister ook een actuele interne nota opgesteld met betrekking tot de inplanting van mestverwerking, waarvan de voornaamste conclusie luidde:

aanvullend op de huidige voorwaarden in de omzendbrief kan overwogen worden om bepaalde aspecten - al dan niet dossiermatig - te verfijnen. Mogelijkheden zijn het opleggen van een verplicht percentage mest en bijkomende aandacht geven aan de landschappelijke inkleding, het beheer van de installatie en het mobiliteitsaspect.

Het Vlaamse Parlement boog zich de voorbije weken twee keer over de verhouding tussen de tendens om meer en meer photovoltaïsche installaties (zonnepanelen) te plaatsen en de wetgeving inzake ruimtelijke ordening.

Tijdens de vergadering van de Commissie voor Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening van 6 maart 2008 stelden de heren De Kerck en Daems een aantal vragen aan minister voor ruimtelijke ordening van Mechelen. De heer Daems stelde in opvolging van die discussie ook nog een schriftelijke vraag aan de minister.

Minister Van Mechelen ging uitvoerig in op de vragen.

Hij verwees in eerste instantie naar het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist is, dat een reeks werken, handelingen en wijzigingen vrijstelt van de stedenbouwkundige vergunningsplicht, voorzover ze niet strijdig zijn met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, bouwverordeningen, verkavelingverordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, verkavelingvergunningen, bouwvergunningen of stedenbouwkundige vergunningen, onverminderd de bepalingen van andere van toepassing zijnde regelgeving.

Wanneer krachtens het Vrijstellingsbesluit werken, handelingen of wijzigingen vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht moet de overheid die in principe de vergunning zou toegekend hebben hierover niet ingelicht worden. De vrijstellingen zijn vaak niet van toepassing op de handelingen, werken en wijzigingen aan of in een beschermd of op een ontwerp van lijst voorkomend monument, onverminderd de regelgeving inzake beschermde stads- en dorpsgezichten, landschappen en archeologische sites.

Krachtens artikel 3, 5°, van het Vrijstellingenbesluit is geen stedenbouwkundige vergunning vereist voor het plaatsen van fotovoltaïsche zonnepanelen en/of zonneboilers op een plat dak of in het dakvlak van vergunde gebouwen. In dat laatste geval geldt de vrijstelling tot een maximum van 20% van de oppervlakte van het dakvlak in kwestie. De vrijstelling geldt onder de voorwaarde dat “de werken niet strijdig zijn met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, bouwverordeningen, verkavelingverordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, bijzondere plannen van aanleg, verkavelingvergunningen, bouwvergunningen of stedenbouwkundige vergunningen.” Enkel als de verkaveling of het BPA welbepaalde dakmaterialen voorschrijft, is er een probleem.

De minister besluit dat in de gevallen van een verkavelingsvergunning of een BPA er tot 20 percent van het dakvlak vrijstelling van vergunning is. Tussen 20 en 50 percent van het dakvlak kan met een afwijking op de voorschriften van een verkaveling of BPA een vergunning worden verkregen via artikel 49 van het decreet van betreffende de ruimtelijke ordening. Boven 50 percent van het dakvlak is een verkavelingswijziging nodig.

De minister stelde wel (terecht):

We moeten opletten voor de hype van de zonnepanelen. Politici hebben de plicht om de mensen erop te wijzen dat het heel belangrijk is dat ze eerst de klassieke isolerende energiebesparende maatregelen nemen in de woning en dat zonnepanelen eigenlijk de kers op de taart zijn van een energievriendelijke woning. Het heeft geen zin om dure zonnepanelen tegen de gevel te plakken van een huis met enkel glas. Men kan beter eerst dubbel glas steken en het huis beter isoleren. First things first. Er zou in de beeldvorming een soort Ladder van Lansink moeten komen waarbij de belangrijkste zaken bovenaan staan: je moet eerst je huis goed isoleren vooraleer je gaat denken aan het plaatsen van zonnepanelen, enzovoort.

Met betrekking tot de isolatie van voorgevels die gelegen zijn op de rooilijn had Joke Schauvliege eerder al een schriftelijke vraag gesteld aan minister Van Mechelen. De minister stelde nu dat ingevolge de aanpassingen van het besluit van april 2000 zijn de strips, die men als isolatiemateriaal op de gevels kleeft, vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning (artikel 3, 5°, d), Vrijstellingenbesluit.

Oudere Berichten »