De Conclusies van het Voorzitterschap over de resultaten van de discussies tijdens Lentetop over de klimaatpolitiek van de Europese Unie leidden stellen het volgende:
In dat proces dient de Raad er rekening mee te houden dat het algemene evenwicht van het volledige pakket moet worden gehandhaafd, en dient hij in zijn werkzaamheden de beginselen van transparantie, economische doelmatigheid en kostenefficiëntie, alsmede billijkheid en solidariteit in de lastenverdeling tussen de lidstaten te hanteren. Hij mag daarbij niet de verschillende uitgangspunten, omstandigheden, mogelijkheden en geleverde prestaties van de lidstaten uit het oog verliezen, en dient in acht te nemen dat er behoefte is aan duurzame economische groei in de gehele Gemeenschap waartoe door alle sectoren moet worden bijgedragen. Ook bij de ontwikkeling van marktgebaseerde instrumenten om de beleidsdoelstellingen inzake energie en klimaat te bereiken, dient de weg van de kostenefficiëntie en soepelheid te worden gevolgd, om de lidstaten buitensporige kosten te besparen. Er moet uitdrukkelijk en op evenwichtige, transparante en billijke wijze worden toegegroeid naar het ambitieuzere streefcijfer van 30% vermindering als onderdeel van een brede mondiale overeenkomst, waarbij rekening wordt gehouden met de werkzaamheden in het kader van de eerste verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto.
Tijdens de besprekingen in de Kamercommissie Leefmilieu voorafgaand aan de Lentetop stelde de groene fractie vragen over het standpunt van België dat geen enkele lidstaat excessieve kosten van het klimaatpakket mag dragen. Minister van Klimaat Magnette antwoordde als volgt op de vragen:
De vooropgestelde doelstellingen voor België zijn aanvaardbaar, met dien verstande dat de resulterende kosten vergelijkbaar moeten zijn met de kosten van andere landen met een vergelijkbare, economische situatie.
Het staat vast dat het totale kostenplaatje in grote mate zal afhangen van de manier waarop het pakket in nationaal beleid wordt omgezet en in welke mate de lidstaten voldoende flexibiliteit hebben. In geval van een toenemende verschuiving van de lasten op arbeid naar de lasten op energie zal de impact op het bruto nationaal product drastisch verminderen en zelfs nihil zijn.
Een van de elementen waar voor België meer flexibiliteit nodig is, is het lineair traject tussen 2013 en 2020 voor de non-ETS-doelstellingen. Indien meer flexibiliteit in het lineair traject wordt ingebouwd, kan met onvoorspelbare en oncontroleerbare pieken in de emissies ten gevolge van economische ontwikkelingen in bepaalde jaren rekening worden gehouden. Dat kan bijvoorbeeld door de doelstellingen voor een periode langer dan een jaar te bepalen.
Par ailleurs, nous devons faire en sorte que l’évaluation présente moins de linéarité, car certaines années peuvent enregistrer une progression plus rapide, d’autres une stagnation avant de progresser à nouveau. Ce qui est essentiel, c’est d’arriver au but dans les délais donnés. Mais suivre une courbe linéaire d’année en année n’est pas forcément adéquat, ni la méthode la plus efficace.
De même pour les énergies renouvelables, la Commission a fixé une courbe de progression. Nous allons dépasser cette courbe dans un premier temps, stagner peut-être ensuite avant de rattraper la courbe en question. Cela nécessite une certaine souplesse pour autant que nous atteignions l’objectif final lors des évaluations intermédiaires.
[...] Klimaatrecht van de Europese commisie [...]