Tijdens de vergadering van de commissie ruimtelijke ordening van het Vlaams Parlement van 22 mei 2008 kwam de problematiek van de de inplanting van particuliere windmolens en het standpunt van de administratie ruimtelijke ordening hierover uitgebreid ter sprake.
Minister Van Mechelen herhaalde dat het vergunnen van dergelijke windmolens een taak is van de gemeentebesturen, al dan niet na eerst advies te hebben ingewonnen van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar. De minister vindt wel dat [men] een “ongecontroleerde groei van kleine windmolentjes, windrotors, windvanen enzovoort, bij woningen, winkels, bedrijven enzovoort best zoveel mogelijk vermijd[t]. “Zo niet, komen we opnieuw terecht in de situatie van het Vlaamse antennelandschap.”
De minister verwees ook naar de pioniersrol van de provincie Oost-Vlaanderen die in een ontwerp van beleidsdocument al een oefening gemaakt heeft rond de inplanting van kleinschalige windturbines:
In het ontwerp van beleidsdocument bakent het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen vooreerst het begrip ‘kleinschalige windmolen’ af, waarbij men let op de diversiteit in types en plaatsingsmogelijkheden. (…) Wat de schaal van de constructies betreft, stelt het provinciebestuur dat onder de ‘kleinschalige molens’ die windturbines vallen die nog op schaal zijn van de desbetreffende omgeving. Volgens de provincie is een goed referentieniveau de hoogte van gebouwen maar ook bomenrijen in de omgeving. Vanuit die afweging legt ze voor windmolens een hoogte vast van 10 meter voor de masthoogte tot 15 meter voor de wiekhoogte. De specifieke aard van de omgeving heeft een bepalende invloed op het al dan niet hinderlijk zijn van kleinschalige windmolens, wat lokaal moet worden afgewogen.
Vanuit dat onderscheid in omgevingen formuleert het provinciebestuur drie hoofdtypen van omgevingen: de woonkernen, de bedrijventerreinen en andere hoogdynamische locaties, en tot slot het buitengebied. Daarnaast stelt ze twee heel verschillende molentypes voorop. Enerzijds zijn er de wiektypes (…). Anderzijds zijn er alle andere types die veelal op, aan of nabij gebouwen worden gemonteerd. Tegelijk maakt ze een onderscheid tussen de vraag of de constructies op een gebouw of vrijstaand worden opgericht. Op die manier komt de provincie Oost-Vlaanderen tot een matrixmodel waarin aangegeven wordt waar welk type wel of niet toelaatbaar kan worden geacht. (…)
Eerst en vooral: als het antennelandschap van vroeger zo storend was, waarom worden schotelantennes dan toegelaten. Deze zijn absoluut niet nodig gezien er een kabel in de grond zit waardoor het aanbod aan tv-zenders ook onbeperkt is. Maar dat is dan weer voor de luxe en dus is het goed.
Ter zake nu.
Oostvlaams kader lijkt een goede start. Geluidsproductie en slagschaduw zijn ook een argument. Op particulier niveau zijn er systemen die deze nadelen niet hebben. De genaamde visuele hinder is subjectief, terwijl de reductie van CO2-uitstoot wel meetbaar is. Er wordt ons toch verteld dat dit belangrijk is.
Windenergie is maatschappelijk meer te verantwoorden dan zonne-energie. Zonne-energie wordt met 450€/1000kw gesubsidieerd. Daardoor is het plaatsen van zonnepanelen rendabel, tegenover 110€ voor windenergie. Die subsidies moeten worden doorgerekend en om de inflatie in bedwang te houden is dergelijk hoge energieprijs nu net iets wat we kunnen missen.
Besluit: doe niet moeilijk tegenover windenergie, stimuleer het in de plaats.